Wielertermen


Inhoudsopgave:
-A--B- -C- -D- -E- -F- -G- -H- -I- -J- -K- -L- -M- -N- -O- -P- -Q- -R- -S- -T- -U- -V- -W- -X- -Y- -Z-

 -A-

à bloc: voluit, met volle inzet rijden.

Aan de boom schudden: hard verder rijden om tegenstanders in de kopgroep te lossen.

Aan het elastiek hangen: achter in een wielrengroep fietsen en op het punt staan gelost te worden.

Achterwielrenner (ook: wieltjeszuiger): wielrenner die steeds achter een andere wielrenner aanrijdt en niet op kop gaat. Gezegd door Eddy Merckx over Joop Zoetemelk.

Als Jan Janssen de Tour: kan winnen kan mijn schoonmoeder het ook. (Kees Pellenaars).

Terug naar inhoudsopgave

-B-

Binnenband: doping inspuiting in de ader.

Chasse patate: een of meer wielrenners die ondanks een zware inspanning niet de voorste renner(s) weten te bereiken en langzaam maar zeker worden bijgehaald door de groep waaruit ze zijn ontsnapt. Bijvoorbeeld een groepje wielrenners dat uit het wielerpeloton ontsnapt om naar een kopgroep te rijden, maar halfweg blijft hangen. Ze slagen er kilometers lang niet in de wielerkopgroep te bereiken, maar ze zijn ook te ver voorop om zich nog te laten inhalen door het peloton. Zoals taal- en wielersportkenner Mark Uytterhoeven ooit opmerkte: “je voelt je redelijk onnozel, ‘en chasse patate’.”

 Bolletjestrui: de trui met rode stippen die in de Ronde van Frankrijk aan de leider in het bergklassement (de bergkoning) wordt gegeven; in het Frans: “maillot à pois” (“erwtjestrui”). De leider zelf wordt ook “de bolletjestrui” genoemd, net zoals de leider in het algemeen klassement (“de gele trui”) of in het puntenklassement (“de groene trui”).
Boterham met pindakaas: “Je rijdt de Tour niet op een boterham met pindakaas”, dat wil zeggen niet zonder verboden middelen tijdens het wielrennen, opmerking toegeschreven aan Gerrie Knetemann.

de Bus: groep wielrenners die niet mee kan in de bergetappes en gezamenlijk in een rustiger tempo naar de finish van de race fietst. De chauffeur van de bus is doorgaans een ervaren renner die het tempo zodanig regelt dat de groep nog binnen de toegelaten tijd aan de finish komt.

Terug naar inhoudsopgave

-D-

de Deur dichtdoen: (bij een sprint) van de eigen lijn afwijken en daardoor de tegenstander in de race de pas afsnijden.

de Dood of de gladiolen: (in de laatste fase van een wielrenwedstrijd) zo hard mogelijk fietsen en maar kijken wat het resultaat is: de bloemen of helemaal niks.

de Koers hard maken: groepsgewijs een hoog tempo rijden, waardoor ontsnappingen worden bemoeilijkt.

de Sprint aantrekken: op ruime afstand van de streep zo hard mogelijk rijden zodat de kopman in een ideale positie kan beginnen met sprinten.
De Tour wacht op niemand: er is geen mededogen met pechvogels in de Tour de France.

Door de wind boren: met wind pal op kop voor het wielerpeloton proberen te blijven.

Doorkachelen (Gerrie Knetemann): met het verstand op nul hard blijven doorfietsen.

D’r op en d’r over: een wielrenrenner of groep inhalen, en vervolgens direct voorbij rijden.

Derde bal: Een blessure die begint met een puistje in de bilnaad dat door druk en wrijving uitgroeit tot een ontsteking ter grootte van een ei.

Terug naar inhoudsopgave

-E-

Een gat laten vallen: een of meer wielrenners laten wegrijden, al dan niet met opzet.

Een gat toe rijden: een achterstand goedmaken.

Een jasje uitdoen: een inspanning leveren, een stuk uit de reserves van een wielrenner putten.

Een koffiemolentje draaien: met een zeer kleine versnelling in de race rijden.

Een kwak geven: tijdens de sprint bewust iemand opzij zetten door een bruusk manoeuvre.

Een loper: een beklimming die geleidelijkaan steiler wordt en geen bruuske afwisseling in percentages kent (Michel Wuyts)

Een waaier trekken: bij zijwind rijden de wielrenners het liefst schuin achter elkaar, zodat de renners (behalve de eerste) uit de wind rijden. Wanneer zo de ganse breedte van de weg gebruikt is en er geen plaats meer is, komt de volgende renner in de wind en zal die het moeilijker krijgen om te volgen. Omdat hij in feite verplicht wordt om een nieuwe waaier te vormen, kan hij en de rest van het peloton “eraf gereden worden”. (Verwant: (het peloton) op de kant zetten.)

Een wapper krijgen: Hongerklop krijgen. Te weinig gegeten hebben waardoor het lichaam in eens niet meer in staat is tot grote fysieke inspanning.

Elkaar bij de keel vasthouden (Maarten Ducrot): Wanneer klassementsrenners elkaar geen strobreed toegeven in de strijd om de koppositie. Daarmee wurgt de klassementsrenner ook zijn eigen kansen.

Vaak wordt gedacht: ‘Ik niet, dan mijn concurrent ook niet.’

En danseuse: recht op de trappers bergop rijden en zwaaiende bewegingen maken met het lichaam.

Er een snok aan geven: extra hard gaan rijden.

Er af gepierd worden (Maarten Ducrot): het tempo niet meer kunnen volgen.

Erbij liggen (Maarten Ducrot): deel uitmaken van een valpartij[6].
Ervanonder muizen wegspringen, demarreren op een onopvallende manier.

Terug naar inhoudsopgave

-F-

-G-

Gekookt zijn (Maarten Ducrot): uitgeput door inspanning of warmte
Geparkeerd staan: nauwelijks nog bergop kunnen fietsen zodat men bijna stilstaat.

Gesneden brood: groeihormonen.

Gestrekt tempo: rijden met hoog tempo, net niet maximaal.

Goed slapen is essentieel om van een race te herstellen. (Joop Zoetemelk)

Goede benen hebben: in goede vorm verkeren.
Grinta (Italiaans): hardnekkigheid, verbetenheid (veel gebruikt door Michel Wuyts op de Vlaamse televisie).

Het gat dichten/dichtrijden: aansluiting krijgen met een voorligger.
Het moet uit het eelt van zijn tenen komen (Mart Smeets): het kost hem grote inspanning.

Een ander het snot voor de ogen rijden: hem afpeigeren en zo goed als eraf fietsen. (Vgl. opgebaard …)

Terug naar inhoudsopgave

-H-

Hij is gezien: hij is verslagen, op achterstand gereden.

Hij trapt de kinderkopjes uit de kasseistrook (Mart Smeets): zeer hard over een kasseistrook fietsen.

Hij zit in een zetel: hij zit in een zeer voordelige positie als de sprint begint.
Hij zit te harken (met zijn hol open) (Gerrie Knetemann): hij rijdt zwoegend.

Hongerklop: plotselinge uitputting door tekort aan koolhydraten.
Iemands karretje in de poep rijden (Gerrie Knetemann): geheel tegen de tactiek van een tegenstander in koersen.

Terug naar inhoudsopgave

-I-

In de boter trappen: erg soepel fietsen.

In iemands wiel springen: achter een tegenstander aan gaan.

In/uit de wind rijden: mee liften op je voorganger.

Terug naar inhoudsopgave

-J-

Jus (in de benen): genoeg energie om hard te fietsen.

-K-

Kever: een dosis testosteron.

-L-

Linkeballen: tactisch manoeuvreren aan het eind van een koers, dat wil zeggen maar weinig kopwerk doen.

Lossen: niet mee kunnen komen met een groep of het peloton.
Lachend naar het rood met gemak de leiderstrui pakken of behouden (in de vuelta).

De man met de hamer tegenkomen: in korte tijd compleet uitgeput raken.

Terug naar inhoudsopgave

-M-

Meesterknecht: ploeggenoot die veel werk verzet voor zijn kopman; ook wel adjudant of wegkapitein genoemd.

Met je hol open zitten: zitten zwoegen om mee te kunnen. (Gerrie Knetemann)

Mongolenwaaier: groep gelosten.

Musette: etenszakje.
Namen zeggen me niks. Rugnummers moet ik hebben. (Barend Barendse, reagerend op een mededeling dat Pflimlin gevallen was.)

Met een neuslengte (ook: wieldikte) verschil winnen: winnen met een klein verschil.

Terug naar inhoudsopgave

-N-

het nieuwe wielrennen: wielrennen zonder doping, term ingevoerd na de doping-affaires van 2006 en 2007.

-O-

Op de grote molen: met een groot verzet, een grote versnelling op de fiets rijden.

Opgebaard over de meet komen nadat je je het snot voor de ogen hebt gereden (Gerrie Knetemann): dodelijk vermoeid de finish bereiken.

Op het rooster leggen: de renners worden door de beste in de groep helemaal kapotgereden

Op karakter fietsen: het fietsen niet opgeven ondanks pijn (door kwetsuur).

Op souplesse rijden: de trappers met een efficiënte techniek rondbewegen, met een hoog aantal omwentelingen.

Terug naar inhoudsopgave

-P-

Pap in de benen : hebben in slechte vorm verkeren.

Parijs is nog ver: uitdrukking die toegeschreven is aan Joop Zoetemelk, wil aangeven dat de strijd nog niet gestreden is, dat de prijzen aan de eindmeet worden uitgedeeld.

Patat krijgen: een sportieve draai om je oren krijgen;

Pocketklimmer: relatief kleine lichte wielrenner die goed kan klimmen. Ook wel berggeit genoemd.

Terug naar inhoudsopgave

-Q-

-R-

-S-

Er een “‘snok”‘ aan geven: een laatste krachtexplosie [Gerrie Knetemann].

Het skoekeloen in rijden: Het ravijn in rijden.
een spervuur van demarrages: talrijke demarrages aan het eind van een wielrenwedstrijd of etappe.

Spurtbom: begenadigde spurter met explosieve, krachtige stijl.

Ze staan stil: die wielergroep heeft een relatief laag tempo
Stervende zwanen: een uitdrukking die af en toe door Michel Wuyts gebruikt wordt. Het is veelal een spurt tussen twee wielrenners (of meerdere) die na een immense krachttoer nog een inspanning moeten leveren.

Stoempen: (variante van stampen) fietsen op kracht met weinig techniek vnl. op zwaar terrein (berg, kasseien, modderige grond). Vgl. op karakter fietsen.

Surplacen: balancerend stilstaan op de fiets om zo een tegenstander ongewild de leiding op te dringen; het bijpassende zelfstandig naamwoord luidt surplace (van Frans sur place, “ter plaatse”).

Terug naar inhoudsopgave

-T-

het lijkt op een Tandartsenpraktijk: elke keer alle gaatjes dichtrijden na een demarrage. (Maarten Ducrot tijdens de Ronde van Frankrijk 2008)
met twee vingers in de neus een overwinning in een race behalen: makkelijk winnen.

Treintje oproken: te snel verdwijnen een aantal ploeggenoten die de sprinter naar de finish moeten brengen.

Terug naar inhoudsopgave

-U-

Uitgewoond zijn (ook: uitgepierd zijn): uitgeput zijn.

-V-

Vals plat: licht oplopend, schijnbaar vlak stuk van het parkoers.

Verdapperen: harder gaan rijden.

Vierkant draaien: niet vlot fietsen (vooral door technische tegenslag of vete in de ontsnappende groep).

Viezerikje: segment van een beklimming die je dwingt in het rood te gaan. (Peter Kaag)

virtueel in het geel rijden: (Ronde van Frankrijk:) renner die tijdens de etappe zo’n voorsprong heeft dat hij de gele leiderstrui zou dragen als de rit op dat moment zou eindigen.

Terug naar inhoudsopgave

-W-

Wandeletappe: een etappe van een wielerkoers waarin heel langzaam wordt gefietst.

Wapper: hongerklop.

We gaan fietsen (Mart Smeets): ter inleiding van televisiecommentaar op een wielerwedstrijd. Tijdens de wedstrijd, wanneer de renners na een gezapige rit in peloton serieus gaan koersen.

Wegkletsen: demarreren.

Wesp: aranesp, een soort super-epo. (gebruikt in de zaak Johan Museeuw)

Wieltjeszuiger (ook: achterwielrenner): wielrenner die steeds achter een ander aanrijdt en niet op kop gaat. Gezegd door Eddy Merckx over Joop Zoetemelk.

Terug naar inhoudsopgave

-X-

-Y-

-Z-

Zwemmen: tussen twee wielrengroepen in fietsen zonder dat de eerste wielergroep wordt ingehaald. (Vgl. chasse patate)